direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Restaurant aan Plas Elfhoeven
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het bestemmingsplan Plassengebied is in de uiterste noordwesthoek van de Plas Elfhoeven een hotel en restaurant met bedrijfswoning, recreatiewoningen en aanlegsteiger planologisch mogelijk gemaakt. In het plangebied kan op grond van het bestemmingsplan een restaurant in categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten worden gerealiseerd dat aan een maximum van 400 m² is gebonden.

De eigenaar van het plangebied is in gesprek met een horeca-exploitant om op deze locatie een restaurant te openen met een aanlegsteiger ten behoeve van het restaurant. Voor een optimale bedrijfsvoering is lichte horeca in categorie 1b onvoldoende. In verband hiermede is gevraagd om een restaurant te realiseren in categorie 1c met een maximum bruto-vloeroppervlakte (footprint) van 506 m² overeenkomstig het door de gemeenteraad vastgestelde beleidskader. Voorts wordt een bedrijfswoning op de eerste verdieping gerealiseerd, waarvan de maximum goot- en bouwhoogte worden overschreden, alsmede een facilitaire voorziening.

Gelijktijdig wordt een bestemmingsplan voorbereid voor het oprichten van 8 vrijstaande woningen ten oosten van het plangebied, omdat de ontwikkeling van 20 recreatiewoningen als gevolg van gewijzigde marktomstandigheden niet uitvoerbaar is gebleken.

Naar aanleiding hiervan heeft de gemeenteraad van Bodegraven-Reeuwijk in zijn vergadering van 29 mei 2019 kaders en uitgangspunten vastgesteld welke aanvullend zijn op het huidige bestemmingsplan. Op deze wijze wordt aan de voorkant duidelijkheid geboden aan alle partijen, zodat de ontwikkeling van het gebied kan worden voorbereid. Dit bestemmingsplan voorziet in de juridisch/ planologische vertaling van de vastgestelde kaders om het oprichten van een restaurant met buitenterras, bedrijfswoning en aanlegsteiger ten behoeve van het restaurant planologisch mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan het einde van een (bebouwings)lint langs de Reeuwijkse Plassen die een grote recreatieve functie hebben. De Notaris d'Aumerielaan is voor autoverkeer bereikbaar tot de Ree. Vanaf hier loopt een fiets- en wandelpad richting Gouda (de Burgemeester Lucasselaan). Ten zuiden van het plangebied ligt de plas Elfhoeven. Ten westen van hiervan ligt de Breevaart. Een situatieschets van het plangebied en omgeving is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0001.png"

Figuur 1: Plangebied (globaal rood omlijnd) en omgeving. Met zwarte lijn is het plangebied van de 8 woningen aangeduid.

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   Raad van State  
"Plassengebied"   24 juni 2015   5 oktober 2016  
"Eerste herziening Plassengebied"   29 maart 2017    
"Parapluplan Parkeren Bodegraven-Reeuwijk"   21 november 2018    

Het plangebied heeft de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie (R - VR)' met een bijbehorend bouwvlak, waarin een hotel/ restaurant in ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten, bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen zijn toegestaan. De maximum oppervlakte voor het hotel/ restaurant is in de bouwregels bepaald op 506 m², alsmede een corridor tussen hotel en restaurant van 65 m². De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,75 m en 8,5 m. Voorts zijn overige bedrijfsgebouwen toegestaan met een oppervlakte van 120 m². Een uitsnede van de verbeelding is opgenomen in figuur 2. De gevraagde planontwikkeling is hiermee in strijd, omdat:

  • a. niet langer sprake is van een categorie 1b inrichting van de Staat van Horeca-activiteiten, omdat de gebruiksoppervlakte groter wordt dan maximaal 400 m²;
  • b. de bedrijfswoning op de eerste verdieping wordt gerealiseerd, zodat de maximum goot- en bouwhoogte worden overschreden;
  • c. een aanlegsteiger ten behoeve van het restaurant niet is toegestaan, omdat hiervoor geen maatvoeringsaanduiding is opgenomen op de verbeelding.

De in de planregels opgenomen afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheid zijn niet toepasbaar om aan de gevraagde planontwikkeling medewerking te verlenen, zodat een planherziening nodig is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0002.png"

Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Plassengebied. Plangebied globaal rood omlijnd.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In Hoofdstuk 3 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijke beleid beschreven. In Hoofdstuk 4 is de Waterparagraaf opgenomen. Hoofdstuk 5 omvat de omgevingsaspecten, te weten milieu, archeologie en natuur. In Hoofdstuk 6 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 7 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hier wordt ingegaan op de communicatie, de uitkomsten van de inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het gebied kan worden gekarakteriseerd als uitvalsbasis voor de watersportrecreatie. Langs de Notaris d'Aumerielaan zijn meerdere jachthavens gesitueerd aan de plas 's-Gravenbroek. Aan het begin van deze laan (gezien vanaf de 's-Gravenbroekseweg) komt aan de oostzijde eerst lintbebouwing met woningen voor, alsmede enkele winkels en een café/restaurant ('het Wapen van Reeuwijk'). Verderop liggen de jachthavens en watersportwinkels. Aan het einde van de Notaris d'Aumerielaan ligt bij de overgang naar de Burgemeester Lucasselaan en de afslag naar de Groene Ree een draaikom. Hier ligt ook het plangebied.

Het plangebied ligt op de grens van de bebouwde kom van Reeuwijk. Feitelijk bestaat dit gebied uit een 'reep grond' dat in westelijke richting wordt gescheiden door de Burgemeester Lucasselaan/ Breevaart, in noordelijke richting de Ree/ plas 's-Gravenbroek en in zuidelijke richting de plas Elfhoeven.
De enkelzijdige lintbebouwing aan de Notaris d'Aumerielaan wordt steeds losser en dunner richting de Ree. Hier bevinden zich meerdere jachthavens. Dit deelgebied is duidelijk op de watersportrecreatie gericht. De Ree is een recreatief voetpad, dat veel wordt gebruikt door wandelaars in het plassengebied. Langs de Ree liggen zomerwoningen. Ten zuiden hiervan is in het bestemmingsplan Plassengebied een hotel/ restaurant met bedrijfswoning, een aanlegsteiger en 20 recreatiewoningen planologisch toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0003.png"

Zicht op plangebied vanaf Burg. Lucasselaan met Zicht op plangebied (inmiddels is er een
op de voorgrond de aanlegsteiger. zandpakket aangebracht.

2.2 Nieuwe situatie

Binnen het bouwvlak wordt een restaurant met bedrijfswoning en facilitaire voorziening gerealiseerd. Gelijktijdig wordt naast deze planontwikkeling een aanlegsteiger met maximaal 23 ligplaatsen mogelijk gemaakt ten behoeve van de horecavoorziening voor restaurantbezoekers en huurders van elektrische boten. Deze aanlegsteiger is noodzakelijk, omdat het restaurant tevens een watergebonden voorziening is voor vaarrecreanten. De bestaande steiger aan de Burgemeester Lucasselaan biedt hiervoor geen mogelijkheden, omdat deze ligplaatsen al zijn verhuurd en/of zijn verkocht. Figuur 3 geeft de gewenste situatie weer van het plangebied.

Het restaurant is in overeenstemming met:

  • a. de stedenbouwkundige uitgangspunten, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan, waarbij de in dat plan opgenomen bouw- en goothoogte voor het restaurant worden gerespecteerd en
  • b. aanvullend de door de gemeenteraad vastgestelde kaders/ uitgangspunten, zoals opgenomen in paragraaf 3.3.2.

De bedrijfswoning en de facilitaire voorziening op de eerste verdieping maken integraal onderdeel uit van het restaurant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0004.png"

Figuur 3: nieuwe situatie (indicatief). Links restaurant en rechts de 8 woningen.

2.2.1 Planbeschrijving

Het planinitiatief voorziet in het oprichten van een restaurant met terras, aanlegsteiger ten behoeve van het restaurant, een bedrijfswoning, facilitaire voorziening voor bestaande aanlegsteiger en overige bedrijfsgebouwen. Hieronder wordt een planbeschrijving gegeven van de verschillende onderdelen.

a. Restaurant
Het restaurant krijgt op de begane grond een bruto-vloeroppervlakte (bvo) (footprint) van totaal 478 m² met onder andere een ruimte voor bezoekers en een keuken. Het buitenterras met de mogelijkheid tot een buitenbar is op de plas Elfhoeven georiënteerd. De oppervlakte hiervan is 310 m². De oppervlaktes blijven onder de door de gemeenteraad vastgestelde uitgangspunten voor het restaurant (506 m²) en buitenterras (350 m²).
De op de eerste verdieping gelegen gebruiksfuncties voor de horecavoorziening zullen worden gebruikt voor secundaire voorzieningen zoals toiletvoorzieningen, kantoor- en kleedruimte met lockers voor personeel, opslag etc.
Het aantal bezoekers wordt gemaximaliseerd op 160 zitplaatsen voor het restaurant en het terras. Op de verdieping zijn geen zitplaatsen voor bezoekers toegestaan. Dit wordt geborgd in artikel 3.4.1 van de regels van het plan. De maximum oppervlakte van het terras is geborgd in artikel 3.4.2 van de specifieke gebruiksregels.

b. Aanlegsteiger ten behoeve van restaurant
Ten behoeve van bezoekers van het restaurant wordt een aanlegsteiger met maximaal 23 ligplaatsen mogelijk gemaakt. Deze aanlegsteiger is gewenst, omdat het restaurant tevens een watergebonden voorziening is voor vaarrecreanten. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan watersportrecreatie op de Reeuwijkse Plassen.

c. Bedrijfswoning
De woning op de eerste verdieping heeft een bruto inhoud van 600 m³. Via een trappenhuis aan de westzijde van het gebouw is de woning bereikbaar. De woning heeft aan de zuid- en westzijde een balkon. Op de begane grond wordt voorzien in een bergruimte.

d. Facilitaire voorziening voor bestaande aanlegsteiger
De facilitaire ruimte speelt in op de inmiddels planologisch gemaakte (en gerealiseerde) 46 ligplaatsen. Deze voorziening met een verblijfsruimte, toiletten en douchevoorzieningen wordt eveneens op de eerste verdieping gerealiseerd. De ruimte wordt via een eigen entree en trappenhuis aan de noordzijde van het gebouw ontsloten.

e. Overige bedrijfsgebouwen (bijbehorende bouwwerken)
De overige op de begane grond aanwezige bedrijfsbebouwing wordt in gebruik genomen voor een vrijstaande milieustalling ten behoeve van terreinonderhoud en een aangebouwde facilitaire ruimte voor droge opslag. De totale bruto-vloeroppervlakte van overige bedrijfsbebouwing is 113 m².

Een plattegrond van de begane grond en verdieping van het restaurant, bedrijfswoning, facilitaire ruimte en overige bedrijfsruimte is opgenomen in figuur 4. Voorts zijn enkele aanzichttekeningen opgenomen van het gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0006.png"

Figuur 4: Boven begane grond en onder verdieping van het nieuwe gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0007.png"

Figuur 5: Aanzichttekeningen nieuwbouw.

2.3 Verkeer en parkeren

2.3.1 Verkeersgeneratie

In verband met de planontwikkeling voor het oprichten van het restaurant en de naastgelegen 8 woningen is een verkeersprognose opgesteld, waarin beide ontwikkelingen zijn onderzocht door Goudappel Coffeng (rapport van 11 november 2020, Bijlage 1). In de plansituatie groeit de verkeersintensiteit op de Notaris d’Aumerielaan op een gemiddelde werkdag naar 898 motorvoertuigen per etmaal. Ook in deze nieuwe situatie past de verkeersdruk bij de huidige vormgeving en de functie van de weg (maximaal 1.000 motorvoertuigen per etmaal conform de uitgangspunten van het raadsbesluit van 29 mei 2019). Er is daarmee ook in de plansituatie sprake van een acceptabele verkeerssituatie.

2.3.2 Verkeer

Het plangebied is gelegen aan het einde van de Notaris d'Aumerielaan. Deze doodlopende weg is alleen bedoeld voor bestemmings- en recreatief verkeer. Deze laan wordt ontsloten vanaf de Zoutmanweg/ Raadhuisweg via de 's-Gravenbroekseweg. Ter hoogte van De Ree is een draaikom waar autoverkeer kan draaien. Langs de gehele weg is in westelijke richting langs parkeren mogelijk. In oostelijke richting zijn ter hoogte van de aanlegsteiger diverse insteekhavens gemaakt voor haaks parkeren.
Vanaf de Zoutmanweg kan het verkeer in zuidelijke richting naar Gouda en de Krimpenerwaard en via de nieuwe Rondweg Reeuwijk wordt aangetakt op de op-/afrit van de A12 richting Utrecht/Den Haag/ Rotterdam en de N459 naar Bodegraven en aansluitend op de N11 richting Leiden en rijksweg A4 (Amsterdam).
Het langzaam verkeer maakt veel gebruik van de Notaris d'Aumerielaan als onderdeel van recreatieve wandel- en fietsroutes door de Reeuwijkse Plassen. Via het voet- fietspad van de Burgemeester Lucasselaan is Gouda bereikbaar.
Het gebied wordt ontsloten vanaf de Burgemeester Lucasselaan door middel van aanleg van een nieuwe doodlopende weg ten zuiden van het voetpad van de Ree met aan het eind een keerlus.

Plansituatie Notaris d'Aumerielaan
In de plansituatie groeit de verkeersintesiteit op de Notaris d’Aumerielaan naar 898 motorvoertuigen per etmaal. Ook in de plansituatie past de verkeersdruk bij de huidige vormgeving en de functie van de weg (maximaal 2.400 motorvoertuigen per etmaal) en de doelstelling van de gemeente voor een mogelijke herinrichting tot fietsstraat (maximaal 1.000 motorvoertuigen per etmaal). Er is daarmee ook in de plansituatie sprake van een acceptabele verkeerssituatie. Een eventuele verbetermogelijkheid voor het wegontwerp is het realiseren van vier passeerhavens ten behoeve van tegemoetkomend verkeer. Tevens wordt aanbevolen om aan het begin van de Notaris d’Aumerielaan een digitaal bord te plaatsen, waarop het aantal vrije parkeerplaatsen binnen het plangebied worden aangegeven. In de regels wordt dit geborgd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in artikel 3.4.6. Op grond hiervan mogen een restaurant en terras alleen worden gebruikt als er aan het begin van de Notaris d'Aumerielaan of voor de brug over de Breevaart (Raadhuisweg) een toegangscontrolesysteem voor de beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein is aangelegd.

2.3.3 Parkeren

Het oprichten van het restaurant, bedrijfswoning en facilitaire voorziening maken onderdeel uit van een meer omvattende herontwikkeling van het gebied aan de Plas Elfhoeven met 8 vrijstaande woningen en een (al gerealiseerde) aanlegsteiger. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte voor de recreatiewoningen aan de Ree. Om deze reden is de parkeerbehoefte in breder perspectief beschouwd. In de bestaande situatie zijn alleen 12 openbare parkeerplaatsen aanwezig aan de Burgemeester Lucasselaan.

Uitgangspunt voor parkeren is de door het college op 10 mei 2016 vastgestelde Nota Parkeernormen, welke is gebaseerd op de CROW-publicatie 317. Hierbij kan voor woningen en commerciële voorzieningen worden uitgegaan van buitengebied, weinig stedelijk. Uitgangspunt is dat parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein. De parkeernormen zijn gebaseerd op het gemiddelde van de kengetallen uit de CROW-publicatie 317. De gemeentelijke parkeernormen zijn opgenomen in tabel 2.1.

Tabel 2.1: Parkeerkencijfers Nota Parkeernormen

Functies   Norm buitengebied, weinig stedelijk   Aandeel bezoekers   Opmerkingen  
Woningen   gemiddeld      
bedrijfswoning   2,1   waarvan 0,3 per woning    
Commerciële voorzieningen   gemiddeld      
Hotel   -     In CROW zijn geen  
Restaurant   -     kengetallen  
Aanlegsteiger   -     opgenomen.  

Het te ontwikkelen restaurant aan de Plas de Elfhoeven ligt in het Reeuwijkse plassengebied, wat gezien kan worden als een specifieke locatie met zijn eigen kenmerken. Voor een ontwikkeling op deze locatie dient maatwerk geleverd te worden. In publicatie 317 over het parkeerkengetal bij een restaurant staat het volgende: ‘Van deze functie kunnen alleen globale parkeerkencijfers gegeven worden. Bij het toepassen van deze cijfers moet een marge in acht worden genomen.’ De reden dat dit er staat betekent dat er weinig onderzoek naar de parkeerbehoefte van restaurants beschikbaar is.

Om die reden heeft Goudappel Coffeng een parkeeronderzoek uitgevoerd, waarbij voor het bepalen van de parkeerbehoefte voor het restaurant aangesloten is bij statistieken (rapport van 11 november 2020, Bijlage 2). Hieronder is een samenvatting opgenomen uit het parkeeronderzoek:

Voor het restaurant (160 zitplaatsen en 25 personeelsleden) is aangesloten bij statistieken van CBS. CBS doet onderzoek naar de verplaatsingsbehoefte van Nederlanders. Uit recent onderzoek van CBS kan de modal split (vervoerwijzekeuze) per reismotief achterhaald worden. Voor ritten van/naar de werklocatie in de provincie Zuid-Holland neemt 52% van de werknemers de auto (bron: CBS, Statline, 2017). Voor ritten van/naar horeca in de provincie Zuid-Holland neemt 27% van de gasten de auto (bron: CBS, Statline, 2017). De parkeerbehoefte is daarmee als volgt:

  • 160 zitplaatsen x 27% = 43,2 parkeerplaatsen (modal split in Zuid-Holland, horecabezoek per auto);
  • 25 personeelsleden x 52% = 13 parkeerplaatsen (modal split in werk Zuid-Holland, werknemers per auto).

Totaal zijn voor het restaurant (inclusief personeel) 56,2 (afgerond 57) parkeerplaatsen nodig. Dit komt neer op 0,36 parkeerplaats per zitplaats. CROW heeft in de laatste publicatie 182 (‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’) aanwezigheidspercentages opgenomen voor een restaurant. Op zaterdagavond wordt het totaal aantal zitplaatsen volledig bezet, namelijk 100%. Op andere momenten is de bezetting lager. Op basis van deze berekening ontstaat de volgende parkeerbehoefte (tabel 2.2).

Tabel 2.2 Parkeerbehoefte nieuwe situatie horeca

Functies   typologie   Parkeernorm   aantal/ oppervlakte   Totaal  
Bedrijfswoning bij horeca   vrijstaand   2,1   1   2,1  
         
Commerciële voorzieningen          
Restaurant en personeel     Zie parkeeronderzoek   Zie parkeeronderzoek   56,2  
Totaal benodigd aantal pp         58,3 pp  

In het onderzoek van Goudappel Coffeng is gerekend met een hoger aantal situaties met volledige bezetting, namelijk 3 keer per dag (als ‘worst case’ benadering): 1x lunch en 2x diner (dus totaal 480 zitplaatsen bezet per dag). Dit is zowel van toepassing verklaard voor werk- als weekenddagen. Tijdens zowel de middag als avond is daarom gerekend met een 100% parkeerbezetting voor bezoekers.
Dat een groot deel van de horecaritten met een andere vervoerwijze gemaakt worden, kan verklaard worden door de ligging in het Reeuwijkse plassengebied, waar veel bezoekers per fiets en te voet heen gaan. Ook is in dit plassengebied sprake van veel verplaatsingen over water.

Er komen 23 extra aanlegplaatsen voor passanten van het restaurant, waarvan eventueel 6 ligplaatsen mogen worden gebruikt voor de verhuur van (fluister-) boten. De parkeerbehoefte voor de huurboten is als volgt. Er is geen parkeerkencijfer vanuit de CROW publicaties beschikbaar voor een aanlegsteiger. Om die reden is gebruik gemaakt van statistieken over autogebruik naar recreatieve voorzieningen uit het Onderzoek Verplaatsingsgedrag in Nederland (OViN, 2017, provincie Zuid-Holland). Voor recreatieve ritten is het aandeel autobestuurder 45%. De parkeerbehoefte is maximaal 6 x 45%= 3 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden met unieke bezoekers. In de praktijk zullen er bezoekers zijn, die in het restaurant lunchen, daarvoor of daarna een bootje huren. Als uitbreiding op de bestaande aanlegsteigers komt een facilitaire voorziening, waar toilet- en douchevoorzieningen en lockers worden aangeboden. Deze voorziening zorgt voor een verhoging van het serviceniveau. De parkeerbehoefte blijft echter gelijk aan de huidige situatie, omdat de voorzieningen selfsupporting zijn.

De parkeerbehoefte van de huidige aanlegsteiger is vastgesteld op 10 parkeerplaatsen overeenkomstig bijlage 1 van het parkeeronderzoek. Op het parkeerterrein zijn tevens 10 parkeerplaatsen gereserveerd om de eigenaren van een zomerwoning aan de Ree de gelegenheid te bieden een vaste parkeerplaats te huren. In tabel 2.3 is opgenomen op welke wijze wordt voorzien in de parkeerbehoefte.

Tabel 2.3 Parkeerbalans nieuwe situatie

Functies   Aantal/ oppervlakte   Aantal pp   Opmerkingen  
Bedrijfswoning bij horeca   1   2,1   Aan te leggen op het terrein horeca- voorzieningen in totaal 96 pp  
Restaurant en personeel   Conform resultaten par-
keeronderzoek  
56,2   Aan te leggen op het terrein horeca- voorzieningen in totaal 96 pp  
Aanlegsteiger boten   46   10   Aan te leggen op het terrein horeca- voorzieningen in totaal 96 pp  
       
Overig        
Reservering bewoners recreatiewoningen Ree   10   10   Aan te leggen op het terrein horeca- voorzieningen in totaal 96 pp  
    4   Ophoging in verband met aanwezigheids- percentages meerdere functies conform resultaten parkeeronderzoek  
Subtotaal     82,3    
Surplus     13    
Totaal aantal pp     95,3 pp   afgerond 96 pp  


In tabel 2.3 is aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte van afgerond 79 parkeerplaatsen voor het restaurant kan worden voldaan. In verband met de aanwezigheidspercentages van de verschillende functies komt Goudappel Coffeng tot de conclusie dat de hoogste parkeerbehoefte tijdens de avondperiode zal liggen op totaal 82 parkeerplaatsen. Met deze extra parkeerbehoefte van 4 parkeerplekken wordt rekening gehouden door totaal 96 parkeerplaatsen aan te leggen, waarvan 10 gereserveerd voor bewoners van de Ree. Daarnaast wordt er voor fietsers op het horecaterrein een fietsenstalling gerealiseerd. De parkeersituatie is afgebeeld op de situatietekening in figuur 3. Bij uitwerking van het bouwplan wordt hiermee rekening gehouden. In artikel 11.2 en 11.3 van het bestemmingsplan wordt het parkeren geborgd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 22 november 2011 heeft de Tweede Kamer de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) met bijbehorende stukken aangenomen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 13 maart 2012 het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de SVIR ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden.
De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteit- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de structuurvisie Randstad 2040. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen met betrekking tot (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke druk af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Deze hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • Kustfundament;
  • Grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • Defensie.

Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij om:

  • Rijksvaarwegen;
  • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Natuurnetwerk Nederland;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

In de derde tranche, vastgesteld op 1 februari 2014 zijn de volgende twee nationale belangen toegevoegd:

  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Door de (14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (2017)

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van ruimtelijk plan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.

Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
De belangrijkste motiveringsplichten van de Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. Bij het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt het volgende geconstateerd:

Het bestemmingsplan Plassengebied maakt al een hotel/ restaurant, bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen op de planlocatie mogelijk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid aanhef en onder h van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat de bebouwing waarin het vorige plan voorzag plaats maakt voor een op geringe onderdelen aangepast plan maakt dat niet anders, nu volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b. van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. De planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt kunnen worden aangemerkt als leegstaande verstedelijkingsruimte, zodat een nieuwe laddertoets achterwege kan worden gelaten (gemeente Lansingerland, ABRvS 24 december 2014, nr. 201303578/1/R4).

Ad bestaand stedelijk gebied
Bestaand stedelijk gebied wordt in de Bro gedefinieerd als 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied ligt in de dorpsrand van Reeuwijk-Brug. De invulling van het plangebied met een restaurant, bedrijfswoning en facilitaire voorziening is reeds planologisch mogelijk gemaakt. Vanuit de verstedelijkingsladder levert dit geen belemmering op.

3.1.4 Conclusie Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Voor het oprichten van een restaurant, bedrijfswoning en facilitaire voorziening is geen Laddertoets nodig. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2019 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.

De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities:

  • 1. Naar een klimaatbestendige delta
  • 2. Naar een nieuwe economie: the next level
  • 3. Naar een levendige meerkernige metropool
  • 4. Energievernieuwing
  • 5. Best bereikbare provincie
  • 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden.

Omgevingskwaliteit
Verbetering omgevingskwaliteit
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening.

Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid die zij van provinciaal belang acht. De 12 opgaven zijn: landschap en cultuurhistorie, gezondheid en veiligheid, natuur en recreatie, ruimte en verstedelijking, wonen, bodem en ondergrond, cultuurparticipatie en bibliotheken, klimaatadaptie, zoetwater en drinkwater, bereikbaarheid, regionale economie en energievoorziening.

Kwaliteitskaart
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De provincie vraagt gemeenten om voor ontwikkelingen in en nabij het buitengebied de kwaliteitskaart te benutten en gebruik te maken van de opgestelde gebiedsprofielen. Het plangebied ligt in het gebiedsprofiel Gouwe Wiericke. In paragraaf 3.2.3 wordt hierop ingegaan. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.

De Laag van de ondergrond (eerste laag) wordt gevormd door bijzonder reliëf en aardkundige waarden. Het plangebied maakt onderdeel uit van veen in een veencomplex. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Als richtpunt geldt dat ontwikkelingen in het veenlandschap zorgdragen voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling.
Het watersysteem beslaat zowel het oppervlakte- als het grondwater en is daarmee zeer bepalend voor het functioneren van de provincie in al haar facetten. Daarmee is het watersysteem ook medebepalend voor de ruimtelijke kwaliteit en vormt het een structuurdrager van de Zuid-Hollandse identiteit. Het water in Zuid-Holland kent vele verschijningsvormen zoals plassen. Wonen of recreëren op of langs dit water is een waarde voor veel inwoners en bezoekers. Als uitgangspunt geldt onder andere dat er ruimte is voor natuurlijke dynamiek. Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater.

In de Laag van cultuur- en natuurlandschappen maakt het plangebied onderdeel van het veen(weide) landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Als richtpunt wordt onder andere aangehouden dat ontwikkelingen rekening houden met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
Op de Laag van de stedelijke occupatie maakt het plangebied onderdeel van de dorpsrand. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, het contact en de overlap). Op de Laag van de beleving is het plangebied niet specifiek aangeduid.

Toetsing aan kwaliteitskaart
Op de Kwaliteitskaart, Laag van de stedelijke occupatie, ligt het gebied in de "stads- of dorpsrand". In figuur 6 is een uitsnede van genoemde kaart opgenomen. Met de ontwikkeling van een eerder in het bestemmingsplan Plassengebied toegestaan hotel/ restaurant heeft de provincie al ingestemd. In dit bestemmingsplan wordt de recreatieve voorziening beperkt tot alleen een restaurant, dat landschappelijk wordt ingepast. Gesteld kan dan ook worden dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal beleid.


Conclusie
De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie. De herontwikkeling van een al planologisch toegestaan restaurant, bedrijfswoning en bedrijfsgebouw is in overeenstemming met opgaven natuur en recreatie, omdat de behoefte aan recreatievoorzieningen nodig blijft aan de dorpsrand met behoud van leefkwaliteit. De landschappelijke kwaliteiten blijven per saldo gelijk dan wel worden beter ten opzichte van de bestaande planologische situatie, omdat de bebouwing wordt geclusterd in een hoofdgebouw met minder bebouwing dan het geldende bestemmingsplan toelaat. Voldaan wordt aan de provinciale belangen met betrekking tot functie en gebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0008.png"

Figuur 6: Uitsnede kaart 'Laag van de stedelijke occupatie'.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht.

Ladder voor duurzame verstedelijking
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

In lid 2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking
Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een restaurant, bedrijfswoning en facilitaire voorziening. Deze ontwikkeling is al mogelijk gemaakt in het geldende bestemmingsplan. Dat de bebouwing waarin het vorige plan voorzag plaats maakt voor een op (geringe onderdelen) aangepast bouwplan maakt dat niet anders, nu volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b. van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. De planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt kunnen worden aangemerkt als leegstaande verstedelijkingsruimte, zodat een nieuwe laddertoets achterwege kan worden gelaten.

De behoefte naar deze voorzieningen is aanwezig, terwijl deze herontwikkeling vanuit een goede ruimtelijke ordening inpasbaar is, omdat het gebouw landschappelijk worden ingepast. Bovendien is de footprint van de bebouwing kleiner is dan wat nu planologisch is toegestaan. Een toetsing aan de Ladder is niet nodig.

Ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 6.9, lid 1 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

In lid 2 van voornoemd artikel is bepaald dat ruimtelijke ontwikkelingen voor een gebied met beschermingscategorie 2 niet kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als genoemd onder c (transformeren).

Toelichting Omgevingsverordening
Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen 1) moeten passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en 2) moet voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'stads- of dorpsrand'. Voor ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand geldt als richtlijn dat deze bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). De nieuwbouw van een geïntegreerd gebouw, bestaande uit een restaurant, bedrijfswoning en facilitaire voorziening wordt landschappelijk ingepast en afgestemd op de in voorbereiding zijnde planontwikkeling voor 8 woningen ten oosten van de horecavoorziening. Deze planontwikkeling past qua aard en schaal bij wat er al nu planologisch mogelijk is. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan. Deze ontwikkeling houdt rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.


Conclusie
Resumerend kan worden geconcludeerd dat:

  • het plan in overeenstemming is met artikel 6.10, lid 1 van de Omgevingsverordening (Ladder);
  • het plan in overeenstemming is met artikel 6.9 lid 1 sub a (inpassen) en lid 4 van de Omgevingsverordening (ruimtelijke kwaliteit).

Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.

3.2.3 Gebiedsprofiel Gouwe Wiericke

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben voor Gouwe Wiericke op 16 december 2014 een gebiedsprofiel vastgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied.
Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.
Gouwe Wiericke heeft een rijk palet aan polders met ieder zijn eigen karakteristieke verkavelingspatroon. Kenmerkend voor Gouwe Wiericke is het samenspel tussen het oorspronkelijke ontginningspatroon en de vervening die onder andere tot het ontstaan van de Reeuwijkse Plassen hebben geleid. Het eigendom van de Reeuwijkse Plassen is verdeeld over honderden eigenaren met de oorspronkelijke veenweideverkaveling als basis.
De linten van de Reeuwijkse Plassen hebben vanaf de weg gezien maar weinig relatie met het water, door de dichte begroeiing. Hoofdambitie voor de bebouwingslinten is om de karakteristieken per lint te behouden. Dat vraagt om maatwerk per lint vanwege de specifieke verhouding van bebouwing, beplanting en open delen. Toekomstige ontwikkelingen moeten de verschillen in dichte en ijle bebouwingspatronen intact laten en het onderscheid tussen een symmetrische of asymmetrische opzet versterken.

Ambities gebiedsprofiel
De twee pijlers onder het recreatieve gebruik van het gebied zijn de Reeuwijkse Plassen en het netwerk van fiets- en wandelpaden en vaarroutes. Een bijzondere kwaliteit van de Reeuwijkse Plassen is dat iedere plas zijn eigen vorm, grootte en karakter heeft. De plassen zijn ontstaan door turfwinning, met uitzondering van de plas Broekvelden/Vettenbroek waar zand is gewonnen ten behoeve van de aanleg van de A12. Naast waterrecreatie in en om de Reeuwijkse plassen wordt in het gebied veel gefietst en gewandeld. Het netwerk voor fietsers en wandelaars bestaat uit dijk- en polderwegen en onverharde kades. De historische bebouwing geeft een extra dimensie aan de routes en de polders zijn nergens zo goed te beleven als vanaf de graskades. De ambities van het gebiedsprofiel richten zich onder andere op versterken van de recreatieve mogelijkheden, met name voor de landschapsbeleving zowel vanaf het water als vanaf het land.

De planlocatie ligt aan de Plas Elfhoeven in een overgangszone tussen bebouwd en onbebouwd met overwegend een informeel karakter. Bij de bebouwingsranden van de polderdorpen is in veel gevallen sprake van zachte randen waarin achtertuinen aan het landschap grenzen. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Water als structuurdrager
De Reeuwijkse Plassen zijn beeldbepalend voor het gebied en hebben een belangrijke recreatieve, ecologische en waterbergingsfunctie. De plassen zijn een regionale trekpleister voor recreatie in en rondom het water. Aan de westrand worden de plassen begrensd door het stedelijke gebied van Gouda-Reeuwijk en de recreatiegebieden Reeuwijkse en Goudse Hout. Grote delen van de oevers zijn bebouwd en er zijn tal van recreatieve voorzieningen te vinden. Het zicht op de plassen is slecht door bebouwing en beplanting in particuliere eigendommen. Naar het oosten gaat het plassengebied geleidelijk over in de veenweidepolders.
De dertien plassen zijn het eindstadium van de grootschalige turfwinning die vanaf de zeventiende eeuw plaats had. De poldergrenzen van de Middeleeuwse cope-ontginningen zijn herkenbaar als bij de vervening gespaard gebleven kades om de rechthoekige plassen. Het vroegere verkavelingspatroon is nog steeds herkenbaar in de eigendomssituatie van de plassen. De kades zijn aantrekkelijke woon- en recreatiemilieus. De meest noordelijke plas werd eind 19e eeuw drooggemalen maar is in de jaren '70 van de vorige eeuw weer afgegraven ten behoeve van zandwinning. Aanvullende ambities zijn o.a.:

  • Beleefbaarheid van het water versterken, door de zichtbaarheid en toegankelijk van de plassen en de oevers te verbeteren.
  • Recreatiedruk reguleren door een recreatieve zonering van het plassengebied: recreatietransferium bij het Reeuwijkse Hout, intensieve recreatie op en rond de plassen Elfhoeven en 's Gravenbroek, extensieve vormen van recreatie bij de overige plassen.

Stads- en dorpsrand
De rand van het dorp Reeuwijk aan de plassen heeft twee verschillende karakteristieken: De rand aan de plas Elfhoeven wordt gevormd door de N459 en de Breevaart, de eigenlijke plas ligt gescheiden van de vaart achter de kade. Ter hoogte van de brug zijn Breevaart en plas met elkaar verbonden. De oevers zijn openbaar toegankelijk en op de beplante kade loopt een recreatieve route. De rand langs de plas 's-Gravenbroek heeft een ander karakter, omdat de oevers in particulier eigendom zijn. Aan de westoever liggen veel aanmeersteigers en botenverhuurbedrijven met veel doorzichten naar het water. Aan de noordkant is de rand dicht bebouwd met nauwelijks zicht op de plas. Aanvullende ambities zijn onder andere:

  • Uitzicht vanaf de bebouwingsrand naar de plassen handhaven, doorzichten in de beplanting op de kade handhaven.
  • Handhaven en versterken van doorzichten op de plas tussen de bebouwing.
  • Voldoende openbare aanmeerplaatsen langs de randen.

Veenplaslint
De groene, lommerrijke kades met smalle weggetjes in de Reeuwijkse Plassen zijn heel aantrekkelijke woon- en recreatiemilieus. Oorspronkelijk waren slechts de oude ontginningsassen van Sluipwijk en Platteweg bebouwd. Dit zijn de linten waar nu de meeste bebouwing staat. De historische bebouwing is vaak ingebouwd en de agrarische functie is verdwenen. Het oude verkavelingspatroon is deels nog zichtbaar door de haaks op het lint liggende watergangen. Het lint is vaak asymmetrisch met aan één kant de bebouwing vlak langs de weg en op de andere kant een brede watergang en de bebouwing op afstand. Karakteristiek zijn de vele bruggen in het gebied. De bebouwing heeft geen vaste rooilijn en vaak ook een wisselende oriëntatie. Door de aantrekkingskracht van de plassen zijn ook alle overige kaden min of meer met (recreatie)woningen bebouwd. Door de dichte bebouwing en groene inrichting is er weinig zicht meer op de plassen. Delen van de kades zijn beperkt toegankelijk voor autoverkeer. In het lint Groene Ree is het pad zo smal dat het alleen voor voetgangers toegankelijk is. Aanvullende ambities zijn onder andere dat nieuwe ontwikkelingen qua korrelgrootte en oriëntatie passen in het lint: geen 'rijtjes' maar individuele toevoegingen.

Conclusie
Deze planontwikkeling is al mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan Plassengebied. Doorzichten worden door clustering van bebouwing niet aangetast ten opzichte van de huidige planologische situatie. Deze ontwikkeling past qua korrelgrootte en oriëntatie in het lint, omdat min of meer sprake is van welkome toevoeging aan horecavoorzieningen bij de recreatiefunctie die het Plassengebied nodig heeft.
Geconcludeerd kan worden dat onderhavige planontwikkeling voldoet aan het provinciale belang met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit zoals is vastgelegd in artikel 6.9, lid 4 van de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 'Vitaliteit in het Reeuwijkse Land 2013-2020'

De gemeenteraad van Bodegraven-Reeuwijk heeft op 9 oktober 2013 de structuurvisie 'Vitaliteit in het Reeuwijkse Land 2013-2020' vastgesteld. Deze visie vervangt de door de gemeenteraad van Reeuwijk op 27 april 2009 vastgestelde Structuurvisie.
Bij het opstellen van de structuurvisie is de inhoud van de Structuurvisie Reeuwijk (2009) als uitgangspunt gehanteerd. Hierin zijn relevante gewijzigde (beleids)nota's en documenten van andere overheidsinstanties verwerkt. Tevens is de structuurvisie aangepast aan de gewijzigde wet- en regelgeving. De visie bevat een thematische benadering en een uitvoeringsparagraaf met projectenlijst. Door onder andere het opnemen van een uitvoeringsparagraaf voldoet de structuurvisie aan gewijzigde wetgeving en op basis van deze paragraaf vindt kostenverhaal bij ruimtelijke ontwikkelingen plaats.
De gemeente wil beschikken over een concurrerend aanbod van woon- en werklocaties, maar ook over een aantrekkelijke openbare ruimte en een winkelaanbod, waar de bewoners zich in vele opzichten thuis voelen.

De ontwikkellocatie in Reeuwijk-Brug is als transformatieproject aangewezen in het kader Vitale woonkernen. In figuur 7 is een uitsnede van de structuurvisie opgenomen, waarin het plangebied is aangeduid als lintbebouwing in een groen lint.

Conclusie
In het Uitvoeringsprogramma is het plangebied opgenomen als transformatielocatie naar nieuwbouw (o.a. horecavoorziening) in de periode 2013-2019. In het bestemmingsplan Plassengebied is deze ontwikkeling vastgelegd met een hotel en restaurant. Een herontwikkeling naar alleen een restaurant met bedrijfswoning is in overeenstemming met de transformatieopgave, temeer daar sprake is van minder intensieve bebouwing en het plan landschappelijk wordt ingepast. De planontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0009.png"

Figuur 7: Uitsnede structuurvisie.

3.3.2 Beleidskaders/uitgangspunten voor ontwikkelplan

Bij raadsbesluit van 29 mei 2019 heeft de gemeenteraad van Bodegraven specifieke beleidskaders/ uitgangspunten vastgesteld voor het oprichten van een restaurant met terras, aanlegsteiger, bedrijfswoning en facilitaire ruimte. De volgende relevante uitgangspunten/ kaders zijn vastgesteld:

  • 1. Het realiseren van een restaurant met terras in horeca-categorie 1c (conform de categorisering in bestemmingsplan Plassengebied) met een maximum aantal zitplaatsen
    • a. horeca-categorie 1c toestaan;
    • b. het maximum aantal zitplaatsen van het restaurant bedraagt 160;
    • c. een gebouw is toegestaan met een oppervlakte/ footprint van 506 m², een maximum goothoogte van 4,75 m en een maximum bouwhoogte 8,5 m;
    • d. de oppervlakte van het terras is maximaal 350 m²;
    • e. de parkeervraag wordt op eigen terrein opgelost; dit dient te worden aangetoond door middel van een parkeeronderzoek;
    • f. aangetoond dien te worden dat er sprake is van een adequate afwikkeling van het (extra) verkeer over de Notaris d’Aumerielaan; dit dient te worden aangetoond door middel van een verkeerskundig onderzoek;
    • g. aanvullend wordt met de exploitant een overeenkomst aangegaan over het gebruik van de eerste verdieping (zitplaatsen zijn niet toegestaan op de verdieping) en dat er voor de parkeerplaatsen op eigen terrein een toegangscontrolesysteem komt waarbij - bij een situatie waarin alle parkeerplaatsen op eigen terrein zijn bezet - een vol-signalering plaatsvindt aan het begin van de Notaris d’Aumerielaan.
  • 2. Het realiseren van een tweede aanlegsteiger met maximaal 23 ligplaatsen ten behoeve van het te realiseren restaurant
    • a. een tweede aanlegsteiger met maximaal 23 ligplaatsen;
    • b. alleen ten behoeve van de horecavoorziening voor restaurantbezoekers en huurders van elektrische boten.
  • 3. Het realiseren van een bedrijfswoning in hetzelfde gebouw waarin het restaurant is voorzien
    • a. de maximum inhoud van de bedrijfswoning bedraagt 600 m³.
  • 4. Verkeer
    De noordwesthoek van plas Elfhoeven te Reeuwijk-Brug wordt ontsloten via de Notaris d’Aumerielaan. De Notaris d’Aumerielaan is een erftoegangsweg met een snelheidslimiet van 30 km/uur. Het is een smalle (± 4,50 meter), verkeersluwe weg en doodlopend voor motorvoertuigen. Deze weg is onderdeel van het netwerk van utilitaire en recreatieve hoofdfietsroutes.
    • a. De weg moet goed toegankelijk blijven;
    • b. De verkeersveiligheid van de inwoners en met name de fietsveiligheid van onder andere schoolgaande kinderen moet worden gewaarborgd;
    • c. Voor inwoners en bezoekers moet voldoende parkeergelegenheid zijn. De bestaande parkeersituatie mag niet verslechteren.
    • d. Rondom de ontwikkeling worden afspraken gemaakt over het bouwverkeer.
  • 5. Participatie
    • a. Omwonenden en de verenigingen aan de Notaris d’Aumerielaan worden door de initiatiefnemer in overleg met de gemeente blijvend actief geïnformeerd over de beoogde ontwikkelingen en het bijbehorend bouwverkeer.
    • b. De gemeente zal actief in gesprek gaan met om- en aanwonenden van de Notaris d’Aumerielaan over de wenselijke aanpassing voor de inrichting van de Notaris d’Aumerielaan.

De door de raad vastgestelde uitgangspunten zijn - voor zover relevant - geborgd in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan. Tevens is in de toelichting aandacht besteed aan de overige kaders/ uitgangspunten.

3.3.3 Welstandsbeleid

De gemeenteraad van Bodegraven-Reeuwijk heeft op 15 februari 2017 een nieuwe Welstandsnota vastgesteld. Deze is op 15 augustus 2017 in werking getreden. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven om met een minimum aan regels de kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen verschillende niveaus van welstand.

  • soepel welstandsniveau
    De meeste bebouwing heeft een soepel welstandsniveau. Het betreft hier de woongebieden, bedrijventerreinen en groen en parken. Bouwplannen in deze gebieden doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Dit betekent dat bouwplannen aan achterkanten als deze beperkt zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zeer beperkt worden getoetst.
  • Gewoon welstandsniveau
    Het landelijk gebied van Bodegraven-Reeuwijk heeft een gewoon welstandsniveau. Hier ligt de lat vanwege de landschappelijke kwaliteit en het belang voor het aanzien van de gemeente wat hoger dan in de gebieden met een soepel welstandsniveau. Het uiterlijk van de bebouwing mag geen obstakel zijn voor de beleving van het gebied.
  • Bijzonder welstandsniveau
    Het oude centrum van Bodegraven, de oude dorpskernen, de linten langs de Oude Rijn en het plassengebied hebben een bijzonder welstandsniveau. Hier is inspanning ten behoeve van het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit op zijn plaats.
  • Vrij
    Gezien het karakter van volkstuinen en de beperkte invloed van de aanwezige bebouwing op de omgeving zijn volkstuincomplexen welstandvrij.

Het plangebied maakt onderdeel uit van een bijzonder welstandsniveau in het Plassengebied. Uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan het traditionele bebouwingsbeeld, waarbij voor de inpassing van bouwwerken het behoud of de versterking van de landschappelijke kwaliteit van belang is. Het definitieve bouwplan zal aan de welstandscommissie (de stichting Dorp, Stad en Land) om advies worden voorgelegd.

Conclusie
Bij uitwerking van het bouwplan zal rekening wordt gehouden met de criteria uit de Welstandsnota Bodegraven-Reeuwijk 2017.

3.3.4 Duurzaamheid

De gemeenteraad van Bodegraven-Reeuwijk heeft op 19 april 2017 het 'Actieplan 2017-2021 klimaatneutraal Bodegraven-Reeuwijk 2035' vastgesteld; een nadere uitwerking van de 'Routekaart Klimaatneutraal Bodegraven-Reeuwijk 2035'.
De uitdaging om klimaatneutraal te zijn is veelomvattend en moet zijn weerklank krijgen in de keuzes die de gemeente wil maken. De routekaart en het actieplan worden daarom gekenmerkt door de brede, samenhangende aanpak. Daarbij is er oog voor de vele facetten die duurzaamheid raakt. In de routekaart is een tiental thema's opgenomen die in samenhang met elkaar een evenwichtige keuze vinden. De thema's zijn duurzame energie, water, afval, transport, wonen, maatschappelijk vastgoed, economie, voedsel, leefbaarheid en recreatie.
De gemeente heeft in kaart gebracht welke prioriteiten en acties er zijn per thema, die het aannemelijk maken dat zij de komende periode de juiste route volgt om in 2035 klimaatneutraal te zijn. De gemeente focust zich de komende jaren op deze punten, maar sluit niet uit dat additionele onderwerpen ook aandacht vergen. Het is daarbij van belang dat er een balans is tussen effectiviteit en sociaal draagvlak. Bij het kiezen voor de maatregelen is daarom gelet op maatschappelijke, financiële en duurzame overwegingen. Allereerst gaat het er om dat er sociaal draagvlak is en een maatregel een maatschappelijk draagwijdte heeft. Er is daarom gekeken naar de lokale gemeenschap en de mogelijke kansen en belemmeringen. Er is voor deze brede, maar ook lokale aanpak gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de beweging in de samenleving. Op deze manier is er aandacht voor lokale initiatieven en oog voor wat er regionaal gebeurt. Daarnaast moet er steeds een balans zijn tussen de bijdrage aan duurzaamheid, de financiële haalbaarheid en kosteneffectiviteit en het beste moment om een actie te ondernemen.
Niet alle acties die nodig zijn op het gebied van duurzaamheid heeft gemeente in de hand. Klimaatverandering is immers een wereldwijde uitdaging. Een aantal actiepunten ligt in haar invloedssfeer en door in gesprek te zijn met de gemeenschap en de regio, samen te werken met ondernemers en andere partners en initiatieven te faciliteren kan de gemeente soms toch ook op andere gebieden een rol spelen. De uitwerking van de overwegingen over de acties zijn opgenomen in het actieplan.

Plan specifiek
Bij uitwerking van het plan worden de volgende maatregelen genomen op het gebied van duurzaamheid:

  • a. Energiebesparing en opwekking: BENG (bijna energie neutraal gebouw):
    • 1. oriëntatie van het restaurant optimaal situeren voor PV-panelen;
    • 2. bewuste en optimale keuze voor het oppervlak en de oriëntatie van glas;
    • 3. het aanbrengen van grote dakoverstekken;
    • 4. het zorgen voor een goede isolatie en luchtdichtheid, alsmede vraaggestuurd ventileren;
    • 5. het gebruiken van energiezuinige Led-verlichting;
    • 6. het plaatsen van een warmtepomp ten behoeve van het klimatiseren en verwarmen van warm tapwater;
    • 7. uitsluitend gebruik maken van aardgas voor de fornuizen van het restaurant.
  • b. Klimaatadaptie:
    • 1. aanleggen van gescheiden riolering;
    • 2. aanleggen van een onderwaterdrainage.
  • c. Recreatie:
    • 1. het stimuleren van elektrische pleziervaar: oplaadpunten op passantensteiger;
    • 2. het stimuleren van fietsgebruik door aanleg van een ruime fietsenstalling met oplaadpunten.

Conclusie
Bij uitwerking van het plan wordt uitvoering gegeven aan het 'Actieplan 2017-2021 klimaatneutraal Bodegraven-Reeuwijk 2035' door een aantal duurzaamheidsmaatregelen te treffen op het gebied van energiebesparing, klimaatadaptie en recreactie.

3.4 Conclusie

Dit bestemmingsplan voldoet aan het geschetste rijksbeleid, omdat de mogelijkheden worden benut om de kwaliteit en vitaliteit van de groene ruimte te verbeteren. Met deze planontwikkeling zijn verder geen rijksbelangen gemoeid.

De herontwikkeling van het eerder planologisch gemaakte restaurant, de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw is in overeenstemming met de provinciale opgaven, omdat voorzieningen nodig blijven in het recreatiegebied met behoud van de landschappelijke kwaliteiten. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie is sprake van een kwaliteitsverbetering, omdat het plangebied minder wordt bebouwd. De provinciale belangen zijn niet in het geding.

De planontwikkeling past eveneens binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, omdat uitvoering wordt gegeven aan een transformatieproject, zoals opgenomen in de Structuurvisie. Het gebouw worden op een landschappelijke wijze ingepast.

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Water

4.1 Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

4.2 Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.

4.2.1 Rijk

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.

4.2.2 Beleid provincie

Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet. Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening.

Provinciaal Waterplan 2010 - 2015
Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:

  • 1. Waarborgen waterveiligheid
  • 2. Zorgen voor mooi en schoon water
  • 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening
  • 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem

In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

4.3 Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.

Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.
Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

Keur en beleidsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen),
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden,

maar ook aan:

  • onttrekken en lozen van grondwater,
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.

Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.

Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

4.4 Waterhuishouding

Bodem en grondwater
Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem in het plangebied uit veengrond. Er is sprake van grondwatertrap II in de zuidelijke plassen. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de zuidelijke plassen van nature op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 0,8 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen circa NAP -1,7 en -2,1 m.

Veiligheid en Waterkeringen
Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Concreet betekent dit dat op de verbeelding de beschermingszone wordt bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. In de voorwaarden behorende bij deze dubbelbestemming geldt de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' als primaire bestemming. Daarnaast moet bij bouwplannen binnen de (dubbel)bestemming de waterkeringbeheerder worden geraadpleegd. Het verplicht opnemen van de waterkering in een bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Provinciale Omgevingsverordening. Het plangebied ligt niet in een primaire of regionale waterkering, zodat er geen belemmeringen zijn.
Oppervlaktewateren 
Op de Legger oppervlaktewater 2018 ligt het grotendeels in primair oppervlaktewater (figuur 8). Dit polderwater maakt onderdeel uit van een meer. Meren zijn dermate complex dat het niet mogelijk is in de legger de gewenste minimale inrichtingscriteria vast te leggen. De weergegeven afmetingen zijn dan ook slechts indicatief. Als er oppervlaktewater wordt gedempt dan moet het gedempte wateroppervlak 1:1 binnen hetzelfde peilvak worden gecompenseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0010.png" Figuur 8: Uitsnede Legger oppervlaktewater 2018.

Beschrijving waterkwantiteit
Dempen is graven
Ten eerste geldt dat als er bestaand oppervlaktewater wordt gedempt, dezelfde hoeveelheid m³ die zich bevinden in het afvoerend nat profiel en de daarbovenop aanwezige vrije ruimte voor het bergen van water (de drooglegging, ofwel het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld) binnen hetzelfde peilgebied terug moet worden aangelegd. Dit principe staat bekend als 'dempen is graven'.

Compenserende waterberging vanwege versnelde afvoer
Daarbovenop komt de benodigde aanvullende hoeveelheid waterberging ter compensatie van de toename van verharding en/of een versnelde afvoersituatie. De minimale eis dat 15% van het nieuwe verharde oppervlak als retentiegebied moet worden gerealiseerd wanneer meer verhard oppervlak wordt gerealiseerd.

Toekomstige situatie en waterafvoer
Op grond van de richtlijnen van het Hoogheemraadschap dient 15% water te worden gegraven binnen hetzelfde peilvak als compensatie voor de toename verharding wanneer meer dan 500 m² verharding wordt aangebracht. Hieruit blijkt dat er sprake is van een toename van het verhard oppervlak van 2.427 m², zodat 364 m² watercompensatie moet worden gerealiseerd. Daarnaast moet het te dempen water (4.811 m²) voor 100% worden gecompenseerd. Dit betekent dat in totaal (364 m² + 4.811 m² =) 5.175 m² vervangend water moet worden gegraven.
Er is inmiddels oppervlaktewater gecompenseerd waarvoor met de Stichting Molenkolk op 2 december 1999 (4.000 m²) en 19 februari 2002 (1.750 m²) afspraken zijn gemaakt. Hiervan is 20 m² en 375 m² verkocht wat resulteert in een compensatie van 5.355 m². Per saldo is er een overschot van (5.355 m² - 5.175 m² =) 180 m² aanwezig. Dit zal in depot worden gehouden. De waterbalans van de bestaande en nieuwe situatie is opgenomen in Bijlage 3.
Voor het dempen van water is overigens al een keurvergunning verleend door het waterschap Wilck en Wiericke onder nummer 022068. Deze vergunning is bij brief van het Hoogheemraadschap van Rijnland van 17 juli 2014 met kenmerk 14.48415 ten name van exploitatiemaatschappij Elfhoeven B.V. met een onbepaalde termijn verlengd.

Waterkwaliteit (riolering en dubo)
Het hemelwater van de daken van het bedrijfsgebouw zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op de nieuw aan te leggen riolering worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

Conclusie
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij de ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze worden in dit hoofdstuk toegelicht voor zover deze relevant zijn voor het planologisch mogelijk maken van deze planontwikkeling.

5.1 Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.

5.1.1 M.E.R.

Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst voor wat betreft de recreatievoorzieningen: categorie D10 (de aanleg van hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen), maar de activiteiten betrekking heeft op minder dan 250.000 bezoekers per jaar en een oppervlakte heeft van minder dan 25 hectare (10 hectare in een gevoelig gebied) en de omvang onder de drempelwarde van 100 ligplaatsen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan.

Onderzoek/ beoordeling
Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.

Plan/besluit
Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van een restaurant, bedrijfswoning en faciliteit voor aanlegplaatsen die al planologisch zijn toegestaan. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken.

  • Kenmerken van het project

Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er - behoudens het oprichten van 8 vrijstaande woningen ten oosten van het plangebied - geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieugevoelige activiteiten (in paragraaf 5.1.2 wordt hierop nader ingegaan). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen speciale beschermingszones aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming, zodat uit dien hoofde geen beperkingen zijn. Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde planontwikkeling.

  • Plaats van het project

Het plangebied is niet van cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 5.2. Het plangebied ligt voorts niet binnen de invloedssfeer van het verderop gelegen Natura 2000-gebied Broekvelden/ Vettenbroek. In paragraaf 5.4 wordt hierop ingegaan.

  • Kenmerken van het potentiële effect

Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.

Conclusie
Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben.

5.1.2 Milieuzonering

Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

Onderzoek/ beoordeling
Aan de Notaris d'Aumerielaan zijn naast woningen ook watersportbedrijven gevestigd. Aan de overzijde van de Breevaart liggen de Zoutmansweg en Reeuwijkse Randweg, verbindingswegen tussen Gouda en de A12/N11. Sprake is van een gebied met een functiemenging. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd (tabel 5.1). Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid.

Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype.

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

In de directe omgeving van het plangebied is aan de Notaris d'Aumerielaan 39 een watersportbedrijf gevestigd. Aan de Ree staan (recreatie)woningen. Daarnaast worden 8 woningen mogelijk gemaakt ten oosten van het plangebied. Zie hiervoor figuur 9. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek vanwege het restaurant uitgevoerd door Peutz te Zoetermeer (rapport van 26 februari 2020, rapportnummer L1126-2-RA-004, Bijlage 1 van de regels). Hieruit valt het volgende af te leiden (overgenomen uit rapport).

Activiteitenbesluit
Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van het restaurant ten hoogste 43, 44 en 38 dB(A) bedraagt ter hoogte van het meest nabijgelegen geprojecteerde bouwvlak in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ter hoogte van de bestaande woningen bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste respectievelijk 37, 36 en 30 dB(A). De niveaus worden met name bepaald door de installaties van het restaurant. Ter plaatse van de geprojecteerde woningen (bestemmingsvlakken) en ter plaatse van bestaande woningen wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Akoestisch woon- en leefklimaat
Uit tabel 5.2 van het rapport blijkt dat het totale langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van alle geluidbronnen ten hoogste 46, 45 en 39 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter hoogte van de grens van bouwvlak 1 en bouwvlak 2 (op 5 m hoogte). Uit figuur 3.1 van bijlage 3 van het rapport blijkt dat in het deel van het bouwvlak, waar 2 bouwlagen mogelijk zijn, bij een beoordelingshoogte van 5 m voldaan wordt aan een etmaalwaarde van 50 dB(A) (50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode). Het geluidniveau wordt hier hoofdzakelijk bepaald door de installaties van het restaurant en stemgeluid op het terras. Zonder stemgeluid op het terras zou het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 1 à 3 dB lager zijn (vaak voorkomende situatie buiten het zomerseizoen bij een onoverdekt en onverwarmd terras).

Ten gevolge van alle geluidbronnen en activiteiten van het restaurant wordt hiermee aan de richtwaarden voor 'gemengd gebied' van 50, 45 en 40 dB(A) voldaan. Om die reden kan worden gesteld dat sprake zal zijn van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Uit tabel 5.3 van het rapport blijkt dat het maximale geluidniveau ter plaatse van de bestaande woningen ten hoogste 60 dB(A) bedraagt in zowel de dag-, avond- als nachtperiode. De hoogste waarden worden veroorzaakt door het dichtslaan van een autoportier. Het maximale geluidniveau ter plaatse van de grens van de bouwvlakken bedraagt ten hoogste 65 dB(A) vanwege het dichtslaan van een autoportier. Deze waarden worden veroorzaakt door de geparkeerde personenwagens op het openbare parkeerterrein. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden van 70 en 65 dB(A) voor respectievelijk de dagen avondperiode. De richtwaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt met 5 dB(A) overschreden. Dergelijke waarden vinden in een groot deel van Nederland plaats waar parkeerplaatsen op minder dan 20 m afstand van woningen zijn gelegen. Dit is ook de reden waarom in het Activiteitenbesluit de optredende maximale geluidniveaus ten gevolge van het komen en gaan van bezoekers van horeca-inrichtingen buiten beschouwing blijven. Bovendien zullen deze pieken, met name in de nachtperiode, zeer beperkt voorkomen. Het maximale geluidniveau in de naastgelegen woning zal niet hoger zijn dan 45 dB(A), omdat de geluidwering van de gevel tenminste 20 dB(A) dient te bedragen. Voor de gevels waar het maximale geluidniveau in de nachtperiode hoger kan zijn dan 65 dB(A) (binnen de zone aangegeven in figuur 2 op pagina 9 van het rapport) wordt een dove gevel toegepast, waarmee het maximale geluidniveau in de woning niet hoger zal zijn dan 45 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarde van 45 dB(A) in de nachtperiode voor het maximale geluidniveau binnen woningen. Bij een dergelijk niveau is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.

Voorts treedt een maximaal geluidniveau op van 67 dB(A) in uitsluitend de dagperiode vanwege de bevoorrading van het restaurant met een vrachtwagen. Vanwege stemgeluid op het terras en het parkeerterrein treden maximale geluidniveaus op van ten hoogste 60 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Met deze waarden zal sprake zijn van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.

Indirecte hinder
Uit paragraaf 5.2.3 van het rapport blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van het verkeer van en naar het restaurant (buiten de grenzen van de inrichting) ten hoogste 44, 43 en 38 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, wat overeenkomt met een etmaalwaarde van 48 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de VROM-circulaire van 50 dB(A), waardoor vanuit het oogpunt van indirecte hinder gesproken kan worden van een acceptabele situatie.


Resumé
Resumerend kan op basis van de uitgangspunten en maatregelen van dit onderzoek worden voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden voor gemengd gebied uit de VNG-publicatie wanneer:

  • a. de afstand tussen het terras en de ten oosten gelegen kavel wordt vergroot overeenkomstig het bepaalde in het akoestisch rapport;
  • b. het terras wordt afgeschermd van de kavel met een geluidscherm van 5 m lang en 3,5 m hoog;
  • c. een tuinmuur wordt aangelegd met een lengte van 22 m lang en 1,8 m hoog;
  • d. de bouwhoogte van het bouwvlak van de meest westelijke woning ten oosten van het plangebied gedeeltelijk wordt aangepast. Voorts dient de woning aan de noordzijde te worden voorzien van een dove gevel.

Naar aanleiding hiervan is de functieaanduiding van het terras op de verbeelding aangepast en is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan dat er een geluidscherm moet zijn geplaatst, voordat een restaurant en terras in gebruik kan worden genomen (artikel 3.4.3). Om aanleg van de tuinmuur te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 3.4.4.

Ten aanzien van onderdeel d wordt opgemerkt dat het bestemmingsplan '8 woningen aan Plas Elfhoeven' zodanig is aangepast dat een gedeelte van de bouwhoogte van de meest westelijke woning naar beneden is bijgesteld. Voorts is aan de noordzijde van deze woning de bouwaanduiding 'dove gevel' opgenomen. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen. Andersom geredeneerd wordt er voor bewoners van de (bestaande en) nieuwe woningen een goed akoestisch woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Conclusie
Uit inventarisatie is gebleken er geen relevante milieugevoelige functies in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0011.png"

Figuur 9: Situatietekening met afstandsmaten tussen restaurant/parkeerterrein en (recreatie- en bedrijfs)woningen.

5.1.3 Geluid

Wettelijk kader wegverkeerslawaai
Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk.

Wettelijk kader spoorweglawaai
Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.

Wettelijk kader Industrielawaai
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan.

Onderzoek/ beoordeling
Wegverkeer
De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Zoutmansweg en Reeuwijkse Randweg. Deze wegen hebben een zonebreedte van 200 meter. De overige wegen zijn 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en een nieuwe bedrijfswoning. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden in binnenstedelijk gebied. Indien de berekende belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder.
Gelet op het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuw te bouwen woning door Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 26 september 2019, referentie 01967-49054-02v2, Bijlage 4). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de woning wordt overschreden ten gevolge van de Zoutmansweg (50 km/uur; maximaal 53dB na aftrek), maar niet van de maximale ontheffingswaarde. De hogere waarde bedraagt niet meer dan 53 dB, zodat er geen aanvullende eisen gelden conform het gemeentelijk beleid.

In het kader van het Bouwbesluit zal indien nodig nog een onderzoek plaatsvinden naar de geluidwering van de gevels van de woning. Bij dit onderzoek dient uitgegaan te worden van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit onderzoek zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning om advies worden voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden-Holland.
Railverkeerslawaai
In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorlijnen. Vanuit spoorweglawaai bestaan er dan ook geen belemmeringen.

Industrielawaai
Ten westen van het plangebied ligt op meer dan 100 meter afstand het bedrijventerrein Zoutman. Vanuit oogpunt van industrielawaai zijn er geen beperkingen, omdat daar bedrijven zijn toegestaan in maximaal milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 m, terwijl het plangebied op een grotere afstand ligt. Daarbij komt dat dichterbij gelegen woningen al maatgevend zijn voor de bestaande bedrijven. In de nabijheid van het plangebied liggen verder geen gezoneerde bedrijventerreinen. Vanuit industrielawaai zijn er geen belemmeringen.


Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, nadat een procedure hogere waarde wegverkeerslawaai is doorlopen. Deze procedure wordt gelijktijdig opgestart met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.

5.1.4 Bodem

Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Onderzoek/ beoordeling
De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' (oktober 2013). Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is al veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. De beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk op 28 januari 2014 vastgesteld.
De nieuwe bodemkwaliteitskaart heeft de gemeenteraad eerder op 12 oktober 2011 vastgesteld. Op deze kaart is het gebied als wonen aangeduid. Bij een omgevingsvergunning dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband hiermede is ten behoeve van de bestemmingsplanherziening voor de 8 woningen een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp (rapport van 7 maart 2017, projectcode 17028ELR, Bijlage 5). Dit rapport kan ook worden gebruikt voor deze planontwikkeling. Uit de resultaten hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport).

Voorafgaande aan de veldwerkzaamheden is een actualiserend historisch vooronderzoek op basisniveau uitgevoerd, in overeenstemming met NEN 5725. De totale projectlocatie van de Elfhoeven betreft tevens een deel van de Reeuwijkse Plassen welke gedempt gaat worden. Dit wordt in onderhavig bodemonderzoek buiten beschouwing gelaten. Op korte termijn zal de rest van de Elfhoeven (landbodem) worden onderzocht.
Tijdens het verrichten van de boringen is gebleken dat de verhardingen op de locatie bestaan uit asfalt met daaronder een laag slakken (met grind). De oorspronkelijke bovengrond bestaat uit klei. Daaronder bevindt zich veelal (sterk kleiig) veen. In het opgeboorde bodemmateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Uit het chemisch-analytisch onderzoek blijkt het volgende:

  • de grondlaag onder de slakkenverharding is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte parameters;
  • de klei-ondergrond is matig verontreinigd met zink en niet tot slechts licht verontreinigd met de overige onderzochte parameters;
  • het grondwater uit peilbuis B8 is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte parameters. De concentratie aan barium is verhoogd aangetoond.

Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) blijkt dat het matig verhoogde gehalte aan zink onder de geldende achtergrondgehalten voor de ondergrond in de betreffende zone 9 liggen. Vervolgonderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. Voor de parameter barium is een afwijkend beleid van toepassing. Omdat deze parameter in de grond niet noemenswaardig verhoogd is aangetoond zal deze verontreiniging waarschijnlijk niet veroorzaakt worden door een antropogene laag. Vervolgonderzoek naar deze parameters is niet zinvol. Geconcludeerd wordt dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkelingen op de locatie.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.

Conclusie
Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig met betrekking tot onderhavige ontwikkeling in het plangebied.

5.1.5 Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden.

Tabel 5.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer.

stof   jaargemiddelde   uurgemiddelde   24-uursgemiddelde   Opmerkingen  
NO2   40 µg/m3   200 µg/m3   n.v.t.   Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden  
PM2,5   25 µg/m3   n.v.t.   n.v.t.   n.v.t.  
PM10   40 µg/m3   n.v.t.   50 µg/m3   24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden  

De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;
  • b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;
  • d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (afgekort NSL) is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Doel van het NSL is:

  • 1. Negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • 2. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren door tijdig aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit te voldoen.

Het NSL is een bundeling van de regionale actieprogramma's en de Rijksmaatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL bevat enerzijds maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren. Het NSL brengt deze twee aspecten in evenwicht. Het Rijk coördineert het nationale programma. Het Rijk maakt met provincies en gemeenten afspraken over toetsbare resultaten; in de gebieden moeten de normen voor luchtkwaliteit stap voor stap dichterbij komen. De overheden kunnen op die resultaten worden afgerekend. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en Ministeriële Regelingen (mr) die gelijktijdig met de 'Wet luchtkwaliteit' in werking zijn getreden, waaronder de AMvB en Ministeriele Regeling niet in betekenende mate (afgekort NIBM).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd:

  • Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Project is NIBM
De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Deze AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden.
NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Onderzoek/ beoordeling
In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan Plassengebied is onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit door de Omgevingsdienst Midden-Holland (Milieukundig advies bestemmingsplan Plassengebied van Omgevingsdienst Midden-Holland van 13 maart 2013, rapportnr. 2014158982). Hieruit is gebleken dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen onder de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit blijven. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is met behulp van de NIBM-tool berekend of het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht (tabel 5.3). Hierbij is het extra aantal vervoerbewegingen ingevoerd, zijnde 573 verkeersbewegingen (weekdaggemiddelde), waarvan 1% aandeel vrachtverkeer. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. Op basis hiervan is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate is, zodat geen nader onderzoek nodig is.

Tabel 5.3. Worst-case berekening.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0012.png"

Daarnaast is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2017 en de prognosejaren 2020 en 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Zoutmansweg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. De afstand van de Zoutmansweg tot het restaurant bedraagt meer dan 60 m. Langs de Notaris d'Aumerielaan liggen geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De concentratie langs deze weg zal naar verwachting evenwel lager zijn dan de concentraties langs de Zoutmansweg, omdat hier minder verkeer rijdt. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat.

Conclusie
In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Uit eerder onderzoek is aangetoond dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet worden overschreden. Deze ontwikkeling maakt een de nieuwbouw van een restaurant met bedrijfswoning en facilitaire voorziening mogelijk, welke al eerder planologisch mogelijk zijn gemaakt. Met behulp van de NIBM-tool is berekend dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Voor dit plan is voorts de NSL monitoringtool geraadpleegd. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze bestemming. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

5.1.6 Externe veiligheid

Wettelijk kader
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

  • rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

Onderzoek/ beoordeling
Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.
Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Transport over spoor
Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Wegtransport
Er liggen binnen een zone van 200 meter geen rijks- en/of provinciale wegen. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Transport per buisleiding
Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling.

Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.

Risicokaart
De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Uit de risicokaart (figuur 10) blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen potentiële risicobronnen aanwezig zijn.

Bereikbaarheid hulpdiensten
In 2008 en 2015 zijn de plannen voor Elfhoeven al in het bestemmingsplan vastgelegd. In dat kader heeft de Veiligheidsregio Hollands Midden al plannen beoordeeld op brandveiligheid, bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Daarbij is ook gekeken naar de opkomsttijden. Geconcludeerd is dat er een zeer geringe overschrijding (40 seconden) is van de opkomsttijden zoals is genoemd in de Wet op de Veiligheidsregio's (WvR). Deze overschrijding is acceptabel aangezien:

  • er sprake is van nieuwbouw, waardoor aan de nieuwbouw voorschriften voor brandveiligheid wordt voldaan;
  • de overschrijding zeer marginaal is;
  • er geen sprake is van verminderd zelfredzame personen.

Gelet hierop zijn wij bereid deze geringe overschrijding van de opkomsttijd van hulpdiensten te accepteren.

Conclusie
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied.


afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0013.png"

Figuur 10: Uitsnede Risicokaart. Plangebied zwart omlijnd.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

5.2.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland

In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans.
Het plangebied ligt in geulafzettingen met stroomgordels. De bewoningsperiode dateert vanaf de Bronstijd of IJzertijd of Romeinse tijd en plaatselijk vanaf het Neolithicum. De plankaart laat zien dat het lint langs de Notaris d'Aumerielaan een redelijke tot grote trefkans heeft op archeologische sporen.

5.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie

De gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft het rapport “Bewoning en ontginning rondom Rijn en Wiericke” opgesteld. Dit rapport met bijbehorende vier kaartbijlagen heeft de gemeenteraad op 4 juli 2012 vastgesteld en dient als uitgangspunt voor de nog op te stellen ruimtelijke plannen. Naast deze documenten staan bepalingen aangaande archeologie in de Kadernota Erfgoed welke eveneens op 4 juli 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad.
Op de gemeentelijke archeologische verwachtingenkaart is het plangebied grotendeels aangeduid als 'Water'. Voor ingrepen waar de gemeente vergunningverlener is zijn de vrijstellingsgrenzen van toepassing van de dichtstbijzijnde archeologische waarden. Dit is 'medebestemming te Verwachten Archeologische Waarden VAW 4' (figuur 11). Op grond hiervan geldt een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen dieper dan 200 cm -Mv en plangebied groter dan 10.000 m². Als vervolg hierop is er - conform het geldende bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen, waarin is vastgelegd dat onderzoek zodig is vanaf 10.000 m². De aanduiding ligt overigens nagenoeg op gronden waar niet wordt gebouwd. Voor de Ree 2 is overigens al in 2006 een Verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd door ArcheoMedia (rapport van januari 2006, projectnummer A06-008-I). Hieruit bleek dat er geen nader archeologisch onderzoek werd aanbevolen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0014.png" Figuur 11: Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtingenkaart 2012, plangebied zwart omlijnd.

Gelet op het vorenstaande is een actualiserend onderzoek naar archeologie achterwege gelaten. Overigens heeft Archeomedia al in januari 2006 een Verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk was. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Deze aanbeveling zal worden overgenomen. Wanneer onverhoopt tijdens het bouwrijp maken toch archeologische sporen worden gevonden, dan zullen verdere bodemingrepen onder archeologische begeleiding plaatsvinden.

Conclusie
Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

5.2.3 Cultuurhistorie en monumenten

Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied staat geen bebouwing. Evenmin worden cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast.

Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

5.3 Landschap

Het plangebied is gelegen in het nationale landschap Het Groene Hart. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland is het gebied getypeerd als veenontginningsgebied met hoge landschappelijke waarden. Het landschap van de veenontginningen is in beginsel gevormd in de Middeleeuwen toen de Hollandse en Utrechtse 'wildernissen' systematisch werden ontgonnen. Waar het veen vanaf de 16de eeuw op grote schaal werd weg gegraven tot onder de waterspiegel ontstonden veenplassen, zoals de Reeuwijkse Plassen. Rond Oud-Reeuwijk en Reeuwijk-Dorp is de mate van aantasting en verstoring groter, vooral als gevolg van de A12. De landschappelijke waarde in relatie tot de nederzetting en het landschap wordt als hoog gewaardeerd.

Het plangebied is nu onbebouwd, maar eerder is al in planologisch zin bebouwing mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan Plassengebied (2008). Toen is een afweging gemaakt over de landschappelijke inpassing. (De locatie was vroeger immers altijd al bebouwd geweest.) Het nieuw te bouwen restaurant met bedrijfswoning wordt niet groter dan wat het huidige bestemmingsplan voor het plassengebied nu al mogelijk maakt in het plangebied. Gesteld kan worden dat deze planontwikkeling landschappelijk inpasbaar is.

Conclusie
De landschappelijke waarden ten opzichte van de bestaande planologische situatie blijven tenminste gelijk, omdat het te bebouwen perceel minder groot wordt dan wat het geldende bestemmingsplan nu toelaat. Vanuit landschappelijk oogpunt worden er geen beperkingen gesteld aan onderhavige planontwikkeling.

5.4 Flora en fauna

Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

Onderzoek/beoordeling
Het gebied Broekvelden/Vettenbroek, bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ) in het kader van de Vogelrichtlijn. Dit aangewezen Natura 2000-gebied ligt op circa 2 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Het Natura2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ligt op circa 8 kilometer ten noorden van de planlocatie. Gelet op de geringe ingreep en de relatief grote afstand worden geen (significante) effecten verwacht op deze Natura2000-gebieden.
Sprake is van nieuwbouw van een restaurant, bedrijfswoning en facilitaire voorziening, welke ontwikkeling ook al mogelijk was in het geldende bestemmingsplan. Er worden geen (significante) effecten verwacht op deze Natura2000-gebieden. Daarom is een Habitattoets achterwege gelaten. Het plangebied ligt evenmin in de nabijheid van NNN van de provincie Zuid-Holland (figuur 12).
Gelet op de natuurwetgeving dient in beginsel een natuurtoets te worden uitgevoerd om inzicht te krijgen in de verstorende effecten op de SBZ-Broekvelden/Vettenbroek zoals veranderde geluidsbelasting, lucht-, water- en bodemverontreiniging en verstoring door mensen en licht tijdens de aanleg. In verband hiermede is eerder in het kader van de planontwikkeling een ecologisch onderzoek uitgevoerd. In hoofdstuk 5.4.1 wordt hierop ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1901.BPrestaurantElfhvn-BP80_0015.png"

Figuur 12: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid).

Stikstofdepositie
Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op 8 km noordelijk gelegen natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is zo'n een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op circa 2 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar wordt mogelijk binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied.
In onderhavige situatie is er sprake van nieuwbouw van een restaurant, bedrijfswoning met bedrijfsruimte met vergelijkbare verkeersbewegingen, als hetgeen al planologisch mogelijk is gemaakt in het geldende bestemmingsplan Plassengebied. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de natuur vallen hierdoor niet op voorhand uit te sluiten. Uit de uitgevoerde AERIUS berekeningen voor de aanlegfase, gebruiksfase, inclusief cumulatie met de planontwikkeling voor 8 woningen, blijkt dat de stikstofdepositie per saldo niet toeneemt. Hierbij is ook de Polder Stein is beschouwd, In de toelichting op effecten van de stikstofdepositie wordt dit aangetoond (rapport van 16 november 2020, Bijlage 6). Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.4.1 Ecologisch onderzoek

Bij een bestemmingsplan moet bekeken worden wat het effect is op de aangrenzende natuurbeschermingsgebied en de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede is een Natuurtoets uitgevoerd door Watersnip Advies te Reeuwijk (rapport van november 2016, projectnummer 16A054, Bijlage 7). Dit ecologische onderzoek is uitgevoerd op basis van reeds vervallen wetgeving, maar de nieuwe Wet natuurbescherming geeft geen aanleiding om het rapport aan te passen. Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport).

Conclusies en aanbevelingen onderzoek Flora en faunawet

  • Het plangebied heeft geen directe relatie met beschermde gebieden (Natura2000, beschermde natuurmonumenten, (P)EHS gebieden of ecologische verbindingszones). Het plangebied is wel geschikt als foerageergebied voor de doelsoorten van de nabij gelegen Natura2000-gebieden. Alleen de Krakeend komt daadwerkelijk voor op de plas Elfhoeven. De omgeving van het plangebied is niet aantrekkelijk voor deze soort vanwege de exponentie aan harde wind. In verband met de Meervleermuis dient lichtuitstraling richting de plas tijdens de bouw en vanuit de nieuwbouwwoningen voorkomen te worden. Als dit in acht genomen wordt, zal schade aan Natura2000-doelsoorten derhalve niet aan de orde zijn.
  • Voor de algemeen beschermde soorten (Gewone dotterbloem, Zwanenbloem, Groene kikker, Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander) geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een vrijstelling van de Flora- en faunawet (Ff-wet). Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.
  • Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Ff-wet wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Ff-wet hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Ff-wet, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels.
  • Uit de bureaustudie blijkt dat er meerdere beschermde vissoorten aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied (1-5km), te weten Kleine modderkruiper (Ff-wet tabel 2), Rivierdonderpad (Ff-wet tabel 2, Rode lijst status 'kwetsbaar'), Bittervoorn (Ff-wet tabel 3), en Grote modderkruiper (Ff-wet tabel 3, Rode lijst status 'Kwetsbaar'). Binnen het plangebied is echter geen geschikt leefgebied aanwezig voor deze soorten. Er zal daarom geen schade ontstaan aan de populaties beschermde vissoorten.
  • Uit de bureaustudie blijkt dat de streng beschermde Rugstreeppad (Ff-wet tabel 3, Habitatrichtlijn bijlage IV) voorkomt in de omgeving van het plangebied (1-5km). Op basis van de biotoopeisen van de Rugstreeppad kan de aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied worden uitgesloten.
  • Het plangebied kan geschikt zijn voor de streng beschermde Ringslang (Ff-wet tabel 3, Rode lijst status 'kwetsbaar'). In 2005 is reeds een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet (FF/75C/2005/0362) verleend en verkregen voor deze soort. De volgende maatregelen zijn daarin opgenomen:
    • 1. er dient geschikt leefgebied gerealiseerd worden in de vorm van natuurvriendelijke oevers langs de rand van het plangebied en langs de Burgemeester Lucassenlaan;
    • 2. de werkzaamheden starten in de winterperiode, zodat er geen dieren aanwezig zijn en er de kans klein is dat de dieren terugkeren omdat er bouwactiviteiten zijn;
    • 3. het maaisel van de rietoevers wordt gebruikt om een broeihoop te realiseren.
  • Er is in de omgeving voldoende alternatief leefgebied voor de Ringslang. De aanleg van nieuwe natuurvriendelijke oevers zal bijdragen aan het vergroten van zijn leefgebied. Door het nemen van mitigerende maatregelen, opgenomen in een Ecologisch werkprotocol, zal er geen schade ontstaan aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie ringslangen. Het aanvragen van een ontheffing voor deze soort is niet nodig.
  • Uit de bureaustudie blijkt dat de streng beschermde Waterspitsmuis (FF-wet tabel 3, Rode lijst status 'kwetsbaar') voorkomt in de omgeving van het plangebied (1-5km). Uit onderzoek van Tauw blijkt dat deze soort voorkomt in de oevers langs de plas Elfhoeven. Het plangebied is echter door Tauw niet aangemerkt als geschikt leefgebied. Het kan voorkomen dat de Waterspitsmuis incidenteel gebruik maakt van het plangebied, om bijvoorbeeld te foerageren. Door het nemen van enkele mitigerende maatregelen kan schade aan deze soort voorkomen worden. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een Ecologisch Werkprotocol. Het aanvragen van een ontheffingaanvraag is niet nodig.
  • Uit de bureaustudie blijkt dat verschillende streng beschermde vleermuissoorten voorkomen in de omgeving van het plangebied (0-5km), zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse dwergvleermuis en Meervleermuis (tabel 3 FF-wet, Bijlage IV Habitatrichtlijn). Er zijn binnen het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen voor zowel gebouwbewonende als boombewonende soorten. De bomen binnen het plangebied kunnen dienen als foerageer- en vliegroute. Deze bomen worden in de huidige plannen gehandhaafd. Er zal geen schade ontstaan aan de gunstige staat van instandhouding van de populaties vleermuizen.

Actualiserend onderzoek november 2019

Het in 2016 uitgevoerde ecologisch onderzoek is deels verouderd, omdat de plannen voor het plangebied zijn gewijzigd. Tevens is een deel van de plas Elfhoeven dat binnen het plangebied valt gedempt. Hierdoor kunnen de omstandigheden voor beschermde soorten veranderd zijn. In 2017 heeft er tevens een wijziging van de wet plaatsgevonden.
Naar aanleiding van de beoordeling van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) is een oplegnotitie gemaakt. Hierin is het ecologisch onderzoek geactualiseerd met de huidige stand van zaken binnen het plangebied. Tevens is ingegaan op wijzigingen in de wet en worden andere opmerkingen van de ODMH behandeld. Op basis van dit rapport van december 2019 (Bijlage 7) kan het volgende worden afgeleid.

Binnen het plangebied zijn meerdere poelen en plassen aanwezig. Deze zijn deels veroorzaakt door de heftige regenval eind september/ begin oktober. Deze plassen en poelen zijn zeer geschikt als leefgebied voor algemeen beschermde amfibieën, zoals Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander (Wnb- andere soorten). Ook de natuurvriendelijke oever aan de zuidkant van het plangebied is geschikt als leefgebied voor deze soorten.

De plassen en poelen kunnen geschikt zijn als voortplantingslocatie voor de Rugstreeppad. Deze soort komt echter niet voor in Reeuwijk-Brug. Een medewerker van Watersnip Advies fietst regelmatig langs het plangebied. In het voorjaar van 2019, heeft deze medewerker, in de avonduren, in de geschikte periode van onderzoek naar aanwezigheid van koren van de Rugstreeppad, geen waarnemingen gedaan van deze soort binnen het plangebied. Deze waarnemingen zijn gedaan op donderdag 9 mei (fietsend), dinsdag 11 juni (fietsend) en dinsdag 2 juli (oeverbeplanting bezocht per boot).
Binnen het plangebied zijn geen locaties aangetroffen die geschikt zijn voor de Rugstreeppad om zich in te graven gedurende de winterperiode. De aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten.

In 2005 is een ontheffing (FF/75C/2005/0362) aangevraagd en verkregen voor de Ringslang. Om schade aan de Ringslang werden vanuit de ontheffing de volgende maatregelen beschreven:

  • Er dient geschikt leefgebied gerealiseerd worden in de vorm van natuurvriendelijke oevers (nvo's) langs de rand van het plangebied en langs de Lucassenlaan. De nvo langs de Lucassenlaan is gerealiseerd;
  • De werkzaamheden starten in de winterperiode, zodat er geen dieren aanwezig zijn en er de kans klein is dat de dieren terugkeren omdat er bouwactiviteiten zijn;
  • Het maaisel van de rietoevers wordt gebruikt om een broeihoop te realiseren.

Het plangebied is vergroot doordat een deel van de plas Elfhoeven gedempt is. Het dempen van de plas heeft in de wintermaanden plaatsgevonden. Op dat moment waren er geen dieren aanwezig die verstoord konden worden door de werkzaamheden. Langs het nieuwe deel van het plangebied is ook een natuurvriendelijke oever aangelegd. De eigenaar heeft hier de natuurlijke oeverbeplanting tot ontwikkeling laten komen. Dit is gelukt. Ook aan het tweede deel van het realiseren van geschikt leefgebied is hiermee voldaan. Op de plankaart wordt een locatie aangewezen waar een broeihoop gerealiseerd zal worden van het maaisel van de rietoevers. Op deze manier wordt geborgd dat de broeihoop gerealiseerd gaat worden.

Algemene Zorgplicht
Voor alle planten- en diersoorten geldt de algemene zorgplicht die is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora en/of fauna kan hebben, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.

Aanbeveling
Aanbevolen wordt om LED-verlichting op het buitenterras te gebruiken, zodat lichtuitstraling vanuit het buitenterras richting het water wordt beperkt.

Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze planontwikkeling. De in het rapport genoemde aanbevelingen zullen bij uitwerking van het bouwplan worden overgenomen.

5.5 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

5.5.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen, behoudens de gebruikelijke kabels en leidingen voor huisaansluitingen van gas, water, elektra, kabel/telefoon en openbare verlichting geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

6.2 Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd bestemmingsplan.

6.3 Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 6.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren.
  • Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
6.3.1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.

Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

6.3.2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Artikel 3 Horeca
Het restaurant aan de plas Elfhoeven is bestemd als 'Horeca', waar een restaurant met terras en bedrijfswoning zijn toegestaan, alsmede een facilitaire voorziening ten behoeve van de gerealiseerde (buiten het plangebied gelegen) aanlegsteiger met 46 ligplaatsen.

Voor het restaurant met bedrijfswoning zijn op de verbeelding twee bouwvlakken opgenomen, welke door middel van de aanduiding 'relatie' als één bouwvlak wordt aangemerkt. Binnen dit bouwvlak dient het hoofdgebouw te worden gesitueerd. De oppervlakte/ footprint is bepaald op 506 m². In de planregels is voorts de toegestane goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw en overige bedrijfsgebouwen/ facilitaire voorziening vastgelegd, alsmede de maximale inhoud van de bedrijfswoning. Verder is in de regels het maximum aantal zitplaatsen in het restaurant op de begane grond vastgelegd op 160. Het (buiten)terras mag niet groter zijn dan 350 m². Dit is in de specifieke gebruiksregels vastgelegd. Voorts is er naar aanleiding van akoestisch onderzoek industrielawaai een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat ter plaatse van de bouwaanduiding 'geluidscherm' een geluidscherm moet worden geplaatst en aldus in stand moet worden gehouden van 5 m lang en 3,5 m hoog. Daarnaast dient een tuinmuur als erfafscheiding te worden aangelegd met een lengte van 22 m en een bouwhoogte van 1,8 m.

Artikel 4 Recreatie - Natuurwaarden
De bestemming 'Recreatie - Natuurwaarden' is van toepassing voor het gedeelte van de Plas Elfhoeven. Binnen deze bestemming is een aanlegsteiger toegestaan ten behoeve van het restaurant met maximaal 23 ligplaatsen.

Artikel 5 Verkeer
De ontsluitingsweg, inclusief fiets- en voetpaden, groenelementen, water en parkeerplaatsen, zijn als 'Verkeer' bestemd.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 4
In het plangebied komen gebieden met archeologische verwachtingswaarden voor. Voor dit gebied is overeenkomstig het gemeentelijke archeologiebeleid de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel.

6.3.3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 8 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden.

Overschrijding bouwgrenzen
Om te voorkomen dat kleine, ondergeschikte ontwikkelingen tot aparte procedures leiden, is in dit lid opgenomen dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden.

Ondergronds bouwen
In deze regeling is opgenomen dat ondergronds bouwen alleen is toegestaan binnen de contouren van een gebouw. Voor woningen is hierop een uitzondering opgenomen, waarbij ook buiten de contour van het gebouw ondergronds mag worden gebouwd.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 2.1, lid 1 onder a, b of c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.

Maten en bouwgrenzen
In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt om af te wijken van de regel dat bouwgrenzen niet mogen worden overschreden (voor zover deze afwijkingen niet onder de regel 'algemene bouwregels' valt te scharen). Om deze afwijking mogelijk te maken kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen. Ook biedt dit artikel de mogelijkheid om via een omgevingsvergunning af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages.

Artikel 11 Overige regels
Met dit artikel wordt geregeld dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, de regelingen betreffen zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
In dit artikel zijn tevens de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen, zoals deze eerder zijn vastgesteld in het Parapluplan parkeren Bodegraven-Reeuwijk.

6.3.4 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Artikel 12 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 13 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

6.4 Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan
    Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.
  • 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan
    De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. Het ontwerpbestemmingsplan zal overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd.
  • 3. Realistische en inzichtelijke regeling
    Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.
  • 4. Actief handhavingsbeleid
    Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid en resultaten overleg

7.1 Economische uitvoerbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/ exploitant gesloten exploitatieovereenkomst, waarin tevens planschade is geregeld en een bijdrage in de ambtelijke kosten is opgenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen.

7.2 Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal overleg- en/of instanties.

7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft daartoe vanaf 23 april 2020 zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn zes zienswijzen ingediend. Deze zijn beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen, zoals opgenomen in Bijlage 9.